Geplaatst op Geef een reactie

Laat los, houd vast

Als we vaak in de zon zitten, hebben we meer kans op het krijgen van huidkanker.

Als we te veel eten en te weinig bewegen dan is de kans groot dat we te zwaar worden/ zijn.

Als we  heel stressvol leven, dan is er een grote kans dat we een burn-out oplopen.

Als we roken, dan hebben we meer kans om een ziekte als longkanker op te lopen.

Als we in deze tijd nog met het openbaar vervoer reizen… of met meer dan 1 ander afspreken… of de 1,5 meter afstand niet in acht nemen… of onze handen niet vaak genoeg wassen… of niet niezen in onze elleboog… of zonder duidelijke reden de straat op gaan…

Tja, wat dan?

We gaan er, gemakshalve, vanuit dat als we gezond willen blijven, er duidelijke richtlijnen zijn die we in acht moeten nemen. Soms iets doen. Soms iets nalaten.

Het kan zwaar vallen om te doen of te laten. Omdat ons leven niet altijd loopt zoals we willen. Omdat er soms gekozen moet worden uit twee kwaden. Omdat we nu eenmaal niet allemaal hetzelfde zijn. Omdat we andere dingen denken, andere dingen voelen en onze behoeften ook niet altijd vergelijkbaar zijn.

 En daarbij bestaat er altijd de kans dat we ondanks alles wat we doen of laten toch ziek worden.  

……

En daarbij bestaat er altijd de kans dat we ondanks alles wat we doen of laten toch ziek worden.

Hoe graag we ook zouden willen; we hebben niet alles onder controle. Soms lijkt het wel even zo, maar dat is maar schijn. We kunnen risico’s vermijden, maar er zijn geen garanties voor de toekomst. Het is eerder geluk hebben als we gezond blijven, dan dat het een logisch gevolg is van dingen die we doen of laten.  

Het past ons dus om onze meningen, onze oordelen, onze betweterigheid, ons egoïsme, onze hoogmoed los te laten. Het  helpt niet om elkaar, of onszelf de schuld te geven.

We leven op dit moment letterlijk geïsoleerd van elkaar. Maar in figuurlijke zin mogen we elkaar, juist nu, niet loslaten.  Ziek of gezond, oud of jong, links of rechts, stad of platteland, vitaal beroep of zzp-er. We hebben geluk. Of pech.

Geplaatst op Geef een reactie

Wie levert de beste zorg?-quiz

Stel, je hebt zorg nodig. Wie levert volgens jou de beste zorg?

Je mag kiezen tussen de hbo- verpleegkundige(niveau 5), de mbo verpleegkundige(niveau 4), de verzorgende (niveau3) of de helpende (niveau 2).

  1. Je hebt gisteren een open hart operatie ondergaan. Wie helpt je vandaag met wassen?
  2. Je hebt zojuist gehoord dat je diabetes hebt. Wie leert je hoe je insuline moet spuiten?
  3. Je verblijft in een revalidatiecentrum. Wie maakt je bed op?
  4. Je kunt moeilijk in slaap komen. Wie brengt je warme melk?
  5. Je kunt moeilijk in slaap komen. Wie brengt je slaapmedicatie?
  6. Je moeder komt op bezoek. Wie geeft haar koffie?
  7. De dokter gaat je de uitslag van het onderzoek geven. Wie is bij dit gesprek?
  8. Je krijgt vocht via een infuus. Wie zorgt er voor dat een lege zak wordt vervangen?
  9. Je mag naar huis als je thuis voldoende hulp krijgt. Wie regelt deze hulp?
  10. Thuis komt er iedere morgen iemand om je te helpen bij het douchen. Wie?
  11. Je voedingssonde is verstopt. Wie brengt een nieuwe sonde in?
  12. Je blaaskatheter mag eruit. Wie zorgt er voor dat deze vakkundig wordt verwijderd?
  13. Je voelt je niet lekker. Wie meet je lichaamstemperatuur?
  14. Je teennagels moeten geknipt. Wie hanteert de nagelschaar?
  15. Je ziet het niet meer zitten. Wie luistert er naar jouw verhaal?

Je hoopt misschien dat ik je nu een lijst met antwoorden geef, zodat het volkomen duidelijk is welke hulp te verwachten is van welk niveau. Maar van de vijftien situaties kan in principe negen keer de zorg verleend worden door alle niveaus van zorgprofessionals. Geen enkele keer mag je er van uit gaan dat de zorg uitsluitend wordt uitgevoerd door een hbo verpleegkundige of juist door een helpende, gewoon omdat er in de praktijk niet altijd duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen het takenpakket van de hbo-, de mbo-verpleegkundige, de verzorgende en de helpende.

Zo was het natuurlijk niet bedacht. Achter statige bureaus ging men er vanuit dat de hbo-verpleegkundige zich in de praktijk duidelijk zou onderscheiden van de mbo en lbo collega’s. De hoger opgeleiden zouden, als vanzelf, het meer ingewikkelde werk voor hun rekening nemen, terwijl de mbo-verpleegkundige zich, van nature, wat meer zou bezig houden met de ‘verzorgende’ taken. Of nee, daar hadden we als de verzorgenden voor. En de helpenden.

In 1993 is de wet BIG ingegaan met als doel de kwaliteit van zorg beter te waarborgen. Er kwam een register voor alle verpleegkundigen. De begrippen bevoegd en bekwaam werden gangbaar. Als verpleegkundige was je bevoegd om een aantal (verpleegtechnische) handelingen te verrichten, maar pas als je ook bekwaam was, mocht je deze handelingen daadwerkelijk uitvoeren. Bekwaamheid kon te maken hebben met de handigheid die je had verkregen bij het uitvoeren van de handeling, met de kennis die je had opgedaan rond deze handeling maar bijvoorbeeld ook met je bekwaamheid van dat moment. De verantwoording voor het uitvoeren van verpleegkundige handelingen werd bij de verpleegkundige gelegd. Heb je een handeling al heel lang niet uitgevoerd of nog nooit bij een bepaald type patient? Voel je je dan wel bekwaam?

Verzorgenden of helpenden werden niet in het BIG register opgenomen.

Het probleem rond de verpleegkundigen bleef, ook onder de wet BIG. Er was geen duidelijk verschil tussen niveau 4 en 5. De ‘oude’ inservice opgeleidde verpleegkundigen hadden aanvankelijk helemaal geen niveau en werden uiteindelijk op niveau 4 (mbo) ingeschaald.

Bij de wet BIG 2, die binnenkort in werking treedt, wil men wel de grens tussen hbo en mbo duidelijk maken. De verpleegkundige niveau 5 wordt de zogenaamde ‘regie’ verpleegkundige. Met een hoger salaris en een ander takenpakket. De verpleegkundigen die jarenlang aan de zijde van de hbo-er, vergelijkbaar werk hebben gedaan, maar op grond van hun vooropleiding zijn ingeschaald op niveau 4 hebben (terecht?) het gevoel dat zij benadeeld worden.

Zelf heb ik mijn verpleegkunde diploma behaald via de inservice opleiding. Ik heb echter, na verpleegkundige vervolgopleidingen, ook een hbo opleiding gedaan tot leraar verpleegkunde. Ik ben er eigenlijk altijd vanuit gegaan dat ik een hbo verpleegkundige was ( ik ben niet meer in functie). Mijn ervaring was, tijdens het volgen van de hbo opleiding, dat de nadruk van mijn verpleegkundige opleiding toch wel erg op het uitvoerende vlak had gelegen. Als hbo-er leerde ik om vaker en langer na te denken over het nut van behaalde handelingen. Ik raakte overtuigd van de nadelen van taakgerichte verpleging. Voor de kwaliteit van zorg leek het veel belangrijker om patiëntgericht te werk te gaan. Zoveel mogelijk dezelfde mensen rond het bed. De dagelijkse wasbeurt was niet een klusje die beter over gelaten kon worden aan minder gekwalificeerde mensen, maar een belangrijke handeling waarin je als verpleegkundige een schat van informatie kon verzamelen die nodig was om de zorg rond de patiënt te kunnen waarborgen. De artsenvisite was niet (alleen) het moment waarop de arts doorgaf wat er allemaal moest gebeuren, maar een overdracht van informatie door de verpleegkunde waarmee de behandeling kon worden aangepast aan de mogelijkheden van de individuele patiënt. Met een bloeduitslag kon de verpleegkundige aangeven welke vervolgstappen zinvol konden zijn voor de patiënt.  

Maar op de werkvloer raakte ik, met al mijn nieuwe kennis, wel enigszins gefrustreerd. Patiëntgericht werken was in theorie ideaal, maar in de praktijk werd steeds vaker gekozen voor taakgericht – lees goedkoper-. En er waren collega’s die het wel fijn vonden als ze het ‘lager gekwalificeerde werk’ konden overlaten aan anderen. Om gehoord te worden tijdens de artsenvisite bleek ook niet eenvoudig. Artsen rekenden er niet altijd op dat een verpleegkundige nuttige informatie kon hebben en het was lastig als hun bevindingen, veranderingen in het behandelplan als gevolg hadden.  Bloeduitslagen moesten nog altijd direct doorgegeven worden aan de dienstdoende arts en als deze niet met een passende vervolgstap kwam, dan werd het niet altijd gewaardeerd als de verpleegkundige een voorstel deed.

Langzaam maar eigenlijk toch nog best snel werd het werk van de verpleegkunde (niveau 4 en 5) vastgelegd in protocollen, richtlijnen en stappenplannen. Allemaal evidence based, dus je moest wel een heel goede reden hebben om af te wijken van de voorschriften.

Het is mijn bescheiden mening dat er best vaak afgeweken moest worden van de voorschriften om de kwaliteit van zorg daadwerkelijk te waarborgen. Toen bleek dat je als verpleegkundige niet werd beoordeeld op de kwaliteit van zorg, maar op het navolgen van de voorschriften, was de zogenaamde hbo kennis meer een last dan een lust.

Wie levert de beste zorg? Het enige goede antwoord is; de zorgprofessional (van welk niveau dan ook) die oog heeft voor het belang van goede zorg.

Geplaatst op Geef een reactie

De oplossing voor de zorg

Het was een geweldig plan.

Hard werken, maar het leverde zoveel op.

Zo zonde, dat de organisatie er niets mee heeft gedaan.

Na jarenlang werken in de zorg en het zorgonderwijs, was ik in het bedrijfsleven terecht gekomen. Heel wat anders. Ik ging zelfs een opleiding strategisch human resource management volgen. Tijdens deze opleiding kreeg ik het idee om mijn kennis en vaardigheden samen te voegen. Als eindopdracht meldde ik me bij een verpleeghuis. Ik wilde een poosje meedraaien. Gewoon als zorgprofessional. Maar wel met de speciale opdracht om er achter te komen wat mijn collega’s nodig hadden om hun werk goed te kunnen blijven doen. Niet stiekem. Het moest volkomen duidelijk zijn wat ik kwam doen, naast het zorgen voor bewoners. Natuurlijk zou ik zelf ondervinden wat lastig was, maar het ging er om dat ik zou luisteren naar wat speelde bij de ‘vaste’ medewerkers. Daarbij was ik er op uit om ook te horen wat mogelijke oplossingen waren.

In het verpleeghuis was enige tijd geleden ‘kleinschalig wonen’ opgezet. Een nieuw gebouwd complex, waarbij vier woningen met een huiskamer en vijf slaapkamers geschakeld waren. Om financiële redenen was er uiteindelijk voor gekozen om zes psychosomatische bewoners te verdelen over deze vijf kamers. Om diezelfde financiële redenen was bedacht dat er per huiskamer één zorgprofessional genoeg was.

De medewerkers die voordien altijd samen gewerkt hadden op traditionele afdelingen kregen een training aangeboden waarin zij leerden hoe zij binnen kleinschalig wonen moesten werken. Samen eten, huishoudelijke klusjes doen, koffie drinken, koken… Maar in de praktijk leek het allemaal niet goed te werken. Het verzuim en het verloop was groot onder de zorgprofessionals van het kleinschalig wonen. Daarnaast waren familieleden ontevreden en liet de zorg soms het te wensen over.

Het leek dus voor de hand te liggen dat mijn onderzoek zou plaatsvinden in de huisjes van het kleinschalig wonen. Er waren drie geschakelde woningen (met elk vier huiskamers) en ik werkte in elke woning drie weken; zowel dagdiensten als avonddiensten. Ik sprak met collega’s die al dertig jaar in het verpleeghuis werkten, uitzendkrachten die uiteenlopende ervaringen deelden en verzorgenden en helpenden in opleiding. Ik was regelmatig diep onder de indruk van hen en hun liefde voor het vak. Er werd ook gemopperd en ik hoorde het aan om vervolgens te vragen; ‘wat zou helpen?’. Dat vonden ze in het begin maar vreemd. Niemand leek ooit aan hen gevraagd te hebben wat nodig was. Maar na een poosje kwamen er verrassend praktische en soms eenvoudige oplossingen. Aanpassingen die er voor konden zorgen dat het werk minder zwaar werd, minder tijd kostte en prettiger zouden zijn voor de bewoners.

Na een paar maanden had ik een duidelijk overzicht van de problemen zoals die ervaren werden door de medewerkers en de door hen aangedragen oplossingen.

De directeur van de instelling haalde zijn schouders op. Hij zei letterlijk; ‘Het ligt allemaal aan de medewerkers. Ze doen gewoon niet zoals het ze geleerd is.’

Zucht.

Geplaatst op Geef een reactie

Goedbedoelde raad

‘Hoe weet je nu of hij genoeg heeft gehad?’ vroeg mijn schoonmoeder toen mijn eerstgeborene na de borstvoeding onrustig bleef. Zelf had ze haar kinderen de fles gegeven. Precies de voorgeschreven hoeveelheid, in de juiste verhouding en op de aangegeven tijdstippen. En haar kinderen vielen na hun voeding altijd in een diepe slaap.

Het was vast goedbedoeld. Maar ik had er niets aan. Sterker nog, het maakte me nog meer onzeker.

Zo gaat het vaak. Terloops merk je op dat je ergens last van hebt en een ander komt met een eigen ervaring. Soms is het best fijn om te horen dat je niet de enige bent, maar meestal zit je niet te wachten op de wijze waarop anderen het probleem opgelost hebben. Jouw probleem vraagt om een eigen oplossing. Of beter; je zou er meer aan hebben als de ander je gewoon even aan hoort en verder commentaar achterwege laat. Juist op de momenten dat je je onzeker voelt, wil je van anderen horen dat het wel goedkomt, dat je op de goede weg zit of dat het ook moeilijk is.

Zelf sta ik ook te vaak klaar met goedbedoelde adviezen. Ik heb een mening en te pas en te onpas laat ik dat horen. Onder het mom van belangstelling en zorg, bemoei ik me met dingen die me niet aangaan

‘Wie ben jij, om in te grijpen in het leerproces van de ander?’, dat vroeg een wijze buurman mij eens. Ik stond weer eens op het punt om in actie te komen, maar ik liet de woorden in me omgaan.

De ander de gelegenheid geven om op eigen kracht iets te overwinnen.

De ander de kans geven om eigen fouten te maken.

Het besef hebben dat ik niet de aangewezen persoon ben om de ander te helpen, simpelweg omdat ik ook niet weet wat het beste is.

Het besef hebben dat ik niet in actie kom omdat ik werkelijk begaan ben met de ander, maar dat ik iets wil doen om mijn eigen gevoel van onbehagen tegen te gaan.

Die keer greep ik dus niet in, dankzij de buurman. Het heeft me niet belet om nog regelmatig te strooien met advies. Soms pakt dat goed uit. Dan kan ik, door even met een ander mee te denken, helpen om tot een nieuw inzicht te komen. Dan kan ik door een ervaring te delen, een ander geruststellen. Dan kan ik, door iets uit te leggen, een ander leren hoe iets sneller of beter kan.

Maar het blijft lastig. Onbedoeld kan ik de situatie voor een ander slechter maken. Door de verkeerde vragen te stellen, door met slechte voorbeelden te komen, door oplossingen te benoemen die de ander helemaal niet wil horen of door niet te luisteren naar wat er echt gezegd wordt.

Steeds opnieuw neem ik me voor om terughoudend te zijn als het gaat om goede raad. Dus het trainingsmateriaal dat ik tot nu toe ontwikkeld heb voor zieke zorgprofessionals, ga ik nog maar eens doornemen. Alle goede raad eruit en (nog) meer aandacht voor het vertrouwen in eigen kunnen, (nog) meer aandacht voor de signalen van  het eigen lijf en (nog) meer aandacht voor het nut van leren van je eigen fouten. Want uiteindelijk is iedereen beter af als er ruimte is voor eigenheid.

Geplaatst op 1 Reactie

Aardig zijn

Eigenlijk ken ik haar niet.

Ik weet ongeveer waar ze woont. Daar houdt het mee op.

Maar als ik haar tegenkom zwaait ze zo uitbundig naar me, alsof ik haar beste vriendin ben. En dat is aardig. Heel aardig.

Zo was er ook een gemeenteambtenaar. Hij zocht contact met een moeder. Haar zoon was onlangs verhuist naar een beschermde woonvorm. Zijn vervoermiddel; een duofiets met trapondersteuning was bij haar in de schuur blijven staan. Met die fiets kon ze hem in de weekenden ophalen en wegbrengen. En in het weekend konden ze samen naar de stad fietsen of op visite gaan bij vrienden en kennissen.  Zelf betaalde de zoon al ruim zes jaar maandelijks mee aan het gebruik van zijn fiets, de gemeente betaalde mee. Nu de zoon naar een buurgemeente was verhuist wilde de gemeente de huur van de fiets, per direct, opzeggen. De moeder had om tijd gevraagd. Ze wilde de fiets graag houden.

De gemeenteambtenaar wilde komen praten. Hij dronk een kopje thee en zag de vrolijke foto’s aan de wand van de zoon. Hij vertelde openhartig over zijn eigen ‘zorgen’kind. En hij luisterde naar de moeder.

Toen hij weg ging stelde hij haar gerust. Hij had het meteen gezien. Deze moeder met haar bewerkelijke zoon konden de fiets goed gebruiken. Hij zou wat gesprekken aan gaan. Een beetje trekken, een beetje duwen aan de ambtelijke molen. Maar ze mocht er vanuit gaan dat de fiets mocht blijven. En dat is aardig. Heel aardig.

Geplaatst op Geef een reactie

Afgrond

Daar ging ik. Een vrije val.

Het had een avondwandelingetje moeten zijn van een kilometer of vijf, zes. Met dochter en hond volgde ik de pijltjes die her en der waren aangegeven. We liepen alleen steeds hoger een berg op. En het begon een beetje te schemeren. In de diepte konden we het dorpje nog zien liggen en ik dacht een pijl te zien. De hond weigerde. Te stijl. Ik deed toch een stap en gleed, vrijwel direct, naar beneden. Om in een wat lager gelegen boom te belanden. ‘Niets aan de hand’ riep ik naar mijn dochter. Ik klom uit de boom en klauterde weer omhoog.

Het liep goed af. Wat kleine wondjes en blauwe plekken.

Als ik moe ben of me zorgen maak, sta ik opnieuw bovenop de berg. Ik kijk naar het afgrond. Er zijn tijden geweest waarin ik overwogen heb om  weer een stap te zetten. Gewoon omdat ik geen andere manier zag om de berg af te dalen. Zonder hoop op een boom die mijn val, opnieuw, zou breken.

Nu weet ik wel dat er een veiliger pad naar beneden loopt. Toch is het op een bepaalde manier verleidelijk om op de berg te blijven staan en naar beneden te turen. Stil staan bij wat er allemaal gebeurd is en wat er had kunnen gebeuren.

Het is tijd om door te lopen, voor het helemaal donker wordt.

Geplaatst op 1 Reactie

Ik voel, dus ik ben kwetsbaar

‘Waarom voel ik toch iedere keer weer de behoefte om iets te zeggen?’ dat is wat ik dacht toen ineens alle ogen op mij gericht waren.

Gisteravond was ik aanwezig bij een avond waarin er gesproken werd over rouw. De organisatoren hebben als doel dat het praten over de dood normaal gaat worden in onze samenleving. Om dit te ondersteunen zijn er maandelijks bijeenkomsten waarin ruimte wordt geboden om ervaringen te delen over verlies.

Ik deelde dat het zo lastig is om over de dood, rouw en verlies te praten als er mensen zijn die vooral niet willen praten over dood, rouw en verlies. Dat ik me dan alleen voel, met mijn verdriet.

Maar ja, ik weet niet meer precies hoe ik het zei en we hebben afgesproken dat, wat er gezegd is,  niet naar buiten gebracht wordt, maar wat ik zei riep van alles op binnen de groep.

Als ik op dat moment door de grond  had kunnen zakken, letterlijk, dan had ik het gedaan. Ik begreep heel goed dat er in alles wat gezegd werd een kern van waarheid zat. Ik was zelfs plaatsvervangend opgelucht omdat een deelnemer die zo overweldigend verdriet had, zich had uitgesproken. Maar zelf hoorde ik alleen de verwijten die ik de laatste jaren zoveel gehoord heb.

Ik was naar deze avond toegegaan omdat ik me minder alleen wilde voelen.

We zijn, met z’n allen, geneigd om vooral heel veel na te denken over wat we voelen. We beoordelen ons gevoel met onze gedachten en proberen daarmee ons gevoel in te dammen. We proberen een logisch verband te leggen tussen wat we voelen en wat ons is overkomen. En als dat niet lukt dan onderdrukken we ons gevoel.

Maar het gaat niet om het achterhalen waarom het verdriet zich nu aandient. Net als dat het ook niet bijdraagt om te horen krijgt dat je eenzaam bent omdat je geen verbinding kunt maken met mensen die anders rouwen. Het helpt niet om te beseffen dat het verlies van anderen groter is.

Het was genoeg geweest als mijn gevoel er had mogen zijn. Als we met elkaar hadden kunnen praten over hoe eenzaamheid kan voelen. Hoe moeilijk het is om daar geen oordeel over te hebben.

Nou ja, het is wel duidelijk hoe moeilijk dat is.

Het zal me opnieuw overkomen dat mijn woorden dingen oproepen en dat ik het gevoel krijg dat ik word aangesproken, beschuldigd bijna. En hoe ik ook mijn best zal blijven doen om mijn mond te houden, ik zal, vroeg of laat, toch weer zeggen wat ik voel. Net zo lang tot we met elkaar in staat zijn om elkaars gevoelens ruimte te geven. Net zo lang tot ik in staat ben om mijn gevoelens ruimte te geven.

Geplaatst op Geef een reactie

Maak jij al deel uit van een vloeiende waardeketen?

Allergie- woorden

Woorden waar ik nog nét geen uitslag van krijg.

Excellent.

Om een beetje carrière te kunnen maken in de zorg bleek het nodig te zijn om een portfolio samen te stellen. Als een ware  kunstenaar. Ik kreeg er van mijn werkgever zelfs een dikke map voor. Daar kon ik dan mijn kwaliteiten in opbergen. Diploma’s, getuigschriften, bewijsstukken voor bijgewoonde symposia en deelgenomen workshops. Daarnaast moest  ik een soort autobiografie schrijven. Het moeilijke was dat ik uiteen moest zetten waar ik excellent is was. Ik kende voordien het woord excellent eigenlijk voornamelijk als zijnde de aanspreektitel van een hooggeplaatst persoon. Zijne of Hare Excellentie. Verder was het gebruik van het woord ‘excellent’ wat mij betreft alleen op z’n plaats als iets werkelijk subliem, hoogstaand en perfect was. Iets wat heel zeldzaam is, omdat er altijd wel iets beter kan. In ieder geval kon  ik excellent niet rijmen met iets wat ik ooit gepresteerd had, noch ooit zou presteren. Je begrijpt; met verdere carrière maken in de zorg is het niets geworden.

Concreet.

Ooit was het doel van de zorg ‘mensen beter maken’. Dit doel bleek de lading niet te dekken. Knappe koppen stelden vooral vast dat een doel moest voldoen aan  de eisen; specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden. Onder het mom van; een goed omschreven doel leidt altijd tot betere resultaten dan een vage visie. In de dagelijkse praktijk bleek het niet zo makkelijk. Niet zelden veranderde de daadwerkelijke situatie voordat we in staat waren om het eens te worden over het te formuleren doel. Frustrerend. Ook omdat ik hevig ging twijfelen. In de zorg zijn veel omstandigheden denkbaar waarbij het niet zinvol is om een doel op te stellen via de SMART methode. Omdat zorgen voor niet heel concreet is. Het is vaak zoeken naar een passende manier om iemand anders te helpen, bij te staan, te behandelen. En dat is per definitie vaag. Dus als ik een poging doe om na te gaan hoe de zorg voor een ander er uit zou moeten zien en er wordt gevraagd; ‘en hoe ziet dat er dan uit, concreet?’ dan haak ik af.

Ik kan nog wel verder gaan. Zelfsturende teams, Kantelen van de organisatie, Verbeterpotentieel, Vloeiende Waardeketens en dan nog tal van Engelse termen die te pas en te onpas gebruikt worden in de zorgsector. Woorden die overwaaien vanuit het bedrijfsleven. Ik hoop op een storm waarmee deze woorden linea recta terugwaaien naar plaatsen waar ze minder schade kunnen uitrichten.

Mieneke

Geplaatst op Geef een reactie

Meer over mij

‘Wat ik dus niet begrijp is dat er mensen zijn die hardnekkig vast blijven houden aan overtuigingen, ook al draag ik zulke logische argumenten aan om toch, op z’n minst, te twijfelen’ zei ik tegen een goede vriend.

Waarop hij me vroeg; ‘En wie ben jij om anderen de les te lezen?’.

Volgens deze goede vriend heeft een ieder levenslessen te leren. Het is alleen de vraag of het mijn taak is om anderen te wijzen op en te behouden voor denkfouten. Is het niet van belang dat iedereen, op zijn eigen manier, in zijn eigen tempo, door het maken van eigen fouten, leert?

En ja, dat vind ik heel belangrijk. Leer wat jij denkt nodig te hebben in je leven, op een manier die bij je past en maak vooral je eigen fouten. Daar leer je het meest van.

Wat ik je, met Is je talent al bekend, wil aanbieden is een werkvorm waarmee je, helemaal zoals jij dat wilt, kunt onderzoeken wat je talenten zijn. Of welke overtuigingen je hebt. Ik geef je achtergrond informatie en stel vragen. De antwoorden mag je voor jezelf houden. Want wie ben ik om jou de les te lezen.

Mijn naam is Mieneke Vaas. Ik heb een visie. Jezelf ontwikkelen maakt je geen beter mens. Ontwikkeling is noodzakelijk om te blijven wie je bent. Of om weer te worden wie je bent. Want door te zijn wie je bent weet je wat je nodig hebt en wat jij kunt geven.

Geplaatst op Geef een reactie

Ontwikkelingsgericht leren

Bijna stampvoetend kwam ze thuis.

Voor Nederlands moest ze de spellingsregels uit haar hoofd leren.

Belachelijk.

Ze past ze moeiteloos toe, dankzij haar taal gevoel.

Die regels gaat ze dus echt niet leren. No way!

Met ontwikkelingsgericht leren wil ik dus ook echt niet dat je dingen gaat leren die je al weet en kan toepassen. Het lesmateriaal is zo gemaakt dat je dat kunt leren wat jij belangrijk vindt, wat jij nodig hebt om jouw werk in de zorg te kunnen blijven doen.

Liefs, Mieneke